Permalink  Posted by on November 19, 2012  voorlopige conclusies
Nov 192012
 

Voorlopige conclusies |

De onderzochte initiatieven maken de openbare ruimte aantrekkelijk voor gebruik en jagen alternatieve vormen van stedelijk leven aan. Zij bieden zicht op wat burgers met de stad willen en waar zij zich voor willen inzetten, en geven van onderop invulling aan de stedelijke cultuur.

De koppeling van initiatief, realisatie, gebruik en beheer leidt tot sterk gemotiveerde groepen. Zij ontwikkelen succesvolle strategieën ten aanzien van participatie en het creëren van draagvlak, en brengen daarmee in het beste geval het soort sociale weefsel teweeg dat zeer gewenst is in de stad, maar lastig maakbaar is. Door aanspraak te maken op de ruimte en daar identiteit aan te geven ontstaan nieuwe verbanden en vormen van gemeenschappelijkheid, die onder betrokkenen een gevoel van ‘thuishoren’ teweeg brengen. Dat draagt bij aan de oplossing van een aantal stedelijke problemen, zoals op het Afrikanerplein in Amsterdam Oost, de Afrikaandermarkt in Rotterdam en Brünnenplatz in Hustadt. Deze projecten vormen geslaagde voorbeelden van stedelijke ontwikkeling van onderop.

Gezien de oriëntatie van de vraagstelling – die insteekt op de publieke dimensie van de stad –  verbaast het niet dat in veel van de onderzochte praktijken engagement met het publieke belang een drijvende kracht blijkt te zijn. Het belang van publieke plekken in de stad, van een diverse openbare ruimte en (sociaal) groen worden veel genoemd als motivaties. In de onderzochte initiatieven word bovendien veelvuldig ingespeeld op actuele maatschappelijke kwesties. De vele moestuinen bijvoorbeeld bieden ontspanning en gezelligheid maar gegeven ook uitdrukking aan de wens om bij te dragen aan een duurzame samenleving.

In Op zoek naar nieuw publiek domein introduceerden Maarten Hajer en Arnold Reijndorp het concept van het ‘parochiale’ domein: een uitbreiding van het begrip publieke ruimte, waarin het publieke belang actief wordt gedragen door een specifieke groep met gedeelde waarden. Zo’n groep werkt samen met andere partijen, waarbij de gangbare rolverdeling tussen overheid, markt en maatschappelijke organisaties op de helling gaat. De praktijken die ik heb onderzocht geven opmerkelijk concreet en creatief invulling aan een dergelijke opvatting van een hernieuwde civic society. Het zijn voorbeelden van publieke plekken zoals de burger die graag ziet en waaraan hij bereid is bij te dragen, niet zelden nemen zij op eigen initiatief ook sociale en publieke functies voor hun rekening. Dat gebeurt niet vanuit een gevoel van plicht – de burgerplicht die de overheid neigt te benadrukken als zij aanstuurt op actief burgerschap- maar vanuit een behoefte aan vrijheid van handelen en zeggenschap.

Dat wordt nog onderschreven doordat veel van de initiatiefnemers ter discussie stellen wie zeggenschap hebben in de inrichting (en het gebruik) van de openbare ruimte. Impliciet en expliciet worden kanttekeningen geplaatst bij de gangbare praktijk van stedelijke ontwikkeling en vernieuwing, waarin (te)veel van bovenaf wordt bepaald en de economische waarde van vastgoed steevast voorrang krijgt op de gebruikswaarde van de stad, die schuilt in menselijke behoeften als (het behoud van) bestaande sociale netwerken en een goed functionerende publieke ruimte. In een aantal van de cases staat dan ook  in het teken van het doelbewust aanjagen van een wijze van stedelijke ontwikkeling met betrokkenheid van bewoners en gebruikers.

In veel van deze initiatieven schemeren steevast een aantal kernbegrippen door uit het essay The Right to the City van Henri Lefebvre, dat op het moment weer breed in de belangstelling staat. Zoals gezegd wordt gestreefd naar een stad waarvan de gebruikswaarde minstens zo belangrijk is als de economische waarde. Naast dit onderscheid speelt ook dat tussen ‘wonen’ en ‘bewonen’ een prominente rol: het zich vestigen (huisvesten) van stedelingen is één; een omgeving ‘bewonen’ door die actief eigen te maken zich ermee te verbinden, is een tweede. Net als Lefebvre dat doet wordt in deze praktijken gespeeld met de vraag aan wie de stad toebehoort. In het perspectief van Lefebvre’s begrippen tekent zich een vorm van ownership af dat niet wordt gelegitimeerd door economisch of juridisch eigendom, maar voortkomt uit het nemen van zorg en verantwoordelijkheid. Een gevoelsmatig eigenaarschap op basis van betrokkenheid, dat een bijzonder constructieve bijdrage weet te leveren aan de publieke dimensie van de betreffende gebieden.

Veel van deze bottom-up initiatieven presenteren alternatieve of op z’n minst aanvullende visies en functies voor de stad die zijn geformuleerd buiten de officiële professionele kaders. Zij worden door institutionele spelers vaak met terughoudendheid bejegend en het vraagt vaak lange en ingewikkelde overlegtrajecten om de ideeën te introduceren en beslissingsmakers te overtuigen. Dat zijn lastige trajecten getuige de uitspraken van een aantal initiatiefnemers over hun ervaringen met de lokale overheid en woningbouwcorporaties in de grote steden. Zo bezien zijn deze projecten niet alleen kleinschalige proeftuinen voor stedelijke ontwikkeling van onderop. Ze geven richting aan de discussie over zeggenschap en ownership in het kader van stedelijke ontwikkeling, maar doen ook en voorzet voor een nieuwe relatie tussen burger en overheid.

Een belangrijke conclusie van het onderzoek – maar bijvoorbeeld ook het debat bij Arcam (zie publicaties voor een verslag) – is dat de vanzelfsprekendheid van het belang van de initiatieven, zoals de betrokkenen in het veld die ervaren, bij institutionele spelers anders wordt beoordeeld. Bij stadsdelen, gemeentes, corporaties en andere institutionele spelers leeft onvoldoende besef van waar het bij deze initiatieven om gaat en waarom ze belangrijk zijn. Er lijkt weinig zicht te zijn op de potentiële sociale en democratische innovatie die erin besloten ligt, en er is weinig erkenning van het achterliggende streven van burgers naar een meer democratische omgang met de stad en de publieke ruimte.

Overigens ligt er in de ogen van deze eigenzinnige burgers wel degelijk een belangrijke rol weggelegd voor de overheid. Een enkele initiatiefnemer uit zich anti-institutioneel maar het merendeel in het geheel niet. Wel ziet het overgrote deel een fundamenteel andere rol weggelegd voor de (lokale) overheid dan het ‘bloeddorstig vasthouden aan regels die niet werken’, zoals een van de geïnterviewden getergd opmerkte, of het overnemen van initiatieven die al van onderop georganiseerd worden, waartoe ook de corporaties neigen.

Of en hoe de institutionele spelers constructief invulling gaan geven aan een nieuwe rol is cruciaal voor het  floreren van dit nieuwe maatschappelijke elan en de bijdrage die het levert aan de stad.